SYSTEMISCHE FEMICIDE · HOOFDSTUK 3 VAN 4
Iedere instantie ziet een deel. Wie ziet het gevaar?
Een melding verwerken is niet hetzelfde als een samenhangend beeld van veiligheid hebben.
Over regie, de duiding van geweld en registratie: wat inspecties en onderzoek laten zien over de manier waarop bescherming is georganiseerd.
GepubliceerdEen organisatiegrens is geen veiligheidsgrens
Dwingende controle onderzoeken betekent gebeurtenissen met elkaar verbinden. Voor bescherming geldt dezelfde eis. Ons analytische vertrekpunt is eenvoudig: als verschillende organisaties elk een gedeelte behandelen, kan het risico alleen gezamenlijk worden beoordeeld wanneer die gedeelten ook samenkomen. Dat is een voorwaarde, geen garantie.
Daarmee stellen we niet vast dat iedere betrokken organisatie in iedere femicidezaak heeft gefaald. We onderzoeken een ander probleem: hoe kan een werkwijze op onderdelen worden uitgevoerd, terwijl voor het slachtoffer onduidelijk blijft wie de samenhang bewaakt?
De Inspectie zag vooruitgang én gaten
De Inspectie Justitie en Veiligheid rapporteerde in januari 2024 dat de aanpak van partner- en ex-partnerstalking sinds 2019 was verbeterd. Politie, Openbaar Ministerie, Veilig Thuis en reclassering herkenden stalking beter en werkten beter samen. Dat positieve oordeel hoort bij de bevindingen.
Tegelijk ontbrak niet zelden een vast aanspreekpunt voor slachtoffers. De rollen en taken van de regie waren onvoldoende stevig vastgelegd. Bij zaken buiten gezamenlijke overleggen kon informatie ontbreken en bestond het risico dat de samenhang niet werd gezien. De Inspectie vroeg daarom onder meer om vaste contactpersonen, concreet belegde regie en duurzaam geborgde specialistische kennis. Dit is een toezichtsoordeel uit 2024, geen bewijs dat iedere onderzochte tekortkoming in 2026 ongewijzigd voortbestaat.
Een verkeerde probleemdefinitie stuurt de oplossing
GREVIO, het onafhankelijke toezichtsorgaan bij het Verdrag van Istanbul, waarschuwt in zijn Nederlandse evaluatie uit 2025 voor benaderingen die huiselijk geweld te veel behandelen als een wederzijds conflict tussen gelijkwaardige partners. Volgens het rapport kan daardoor onvoldoende aandacht bestaan voor gender, machtsverschillen en de specifieke positie van slachtoffers. Het benoemt tegelijk positieve ontwikkelingen in wetgeving en samenwerking.
Daaruit leiden we een beslisvraag af: wordt van betrokkenen vooral verwacht dat zij hun communicatie verbeteren, of wordt eerst onderzocht of iemand de vrijheid van de ander beperkt? Dat zijn verschillende probleemdefinities. Wanneer het uitgangspunt niet past bij de verhouding, kan ook een zorgvuldig uitgevoerde interventie het verkeerde probleem proberen op te lossen.
Ook de registratie bepaalt wat zichtbaar wordt
Een WODC-onderzoek door Maastricht University, gepubliceerd in mei 2026, laat zien dat rechters en officieren van justitie femicide verschillend afbakenen. Partner- en familiebanden en andere gendergerelateerde kenmerken worden geregeld herkend, maar niet steeds consequent verwerkt in bewijsvoering of strafmotivering. Eerder huiselijk geweld wordt minder vaak expliciet benoemd dan de relatie tussen slachtoffer en pleger.
De onderzoekers bevelen een gedeelde definitie, betere registratie en versterking van deskundigheid aan. Hun onderzoek omvat ook pogingen tot doding; de onderzochte zaken vormen dus niet zonder meer een telling van overleden vrouwen. Het gaat hier om de manier waarop zaken worden geduid, niet om een nieuw landelijk slachtoffercijfer.
Het ontbrekende verband is zelf een onderzoeksvraag
De drie publicaties onderzoeken verschillende onderdelen: de aanpak van stalking, de uitvoering van een internationaal verdrag en de strafrechtspraktijk. Ze bewijzen samen niet hoeveel dodingen door één maatregel voorkomen zouden zijn. Onze synthese is beperkter: herkenning, informatieoverdracht en verantwoordelijkheid zijn afzonderlijke schakels. Een verbetering van één schakel bewijst nog niet dat de hele bescherming werkt.
Daarom moet een systeemanalyse controleerbaar blijven. Welke signalen waren op welk moment bij wie bekend? Wie kon een samenhangende afweging maken? Welke interventie volgde en wat veranderde er voor het slachtoffer? Zonder die vragen kan kritiek op het systeem net zo algemeen blijven als de geruststelling dat iedereen zijn eigen taak heeft uitgevoerd.
De verantwoordelijkheid voor geweld blijft bij de pleger. Onderzoek naar institutionele keuzes is geen verschuiving van die verantwoordelijkheid, maar onderzoek naar de ruimte waarin bescherming wel of niet tot stand kwam. In hoofdstuk vier vertalen we dat naar toetsbare vragen over verbetering.
Bronnen en begrenzing
Bronnen: Inspectie JenV: Gestalkt. Gezien. Gehoord?, toelichting 2024; GREVIO: eerste thematische evaluatie Nederland, 2025; WODC: Femicide in de rechtspraktijk, toelichting 2026.
Deze analyse doet geen uitspraak over schuld of nalatigheid in een niet-onderzochte individuele zaak. De rapporten hebben elk een eigen onderzoeksperiode. Ze dienen hier als onderbouwing van specifieke knelpunten, niet als beschrijving van elke organisatie of hulpverlener.